terug naar het overzicht

 

Wet van 10 maart 1982 Stbl N° 105

Bron: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden


 

 

Wet van 10 maart 1982 tot wijziging van de Muntwet 1948 (invoering van een vijftigguldenstuk)

 

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

 

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut ! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat er aanleiding is een zilveren vijftigguldenstuk in te voeren en de Muntwet 1948 (Stb. I 156) tot dat doel aan te vullen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

Artikel I

 

De Muntwet 1948 (Stb. I 156) 1 wordt gewijzigd als volgt:

 

A. Artikel 2, onder Ia, wordt gelezen als volgt:

 

a. in zilver:

het vijftigguldenstuk;

het tienguldenstuk;

 

B. De tabel van artikel 3 wordt, voor zover het betreft de muntsoort zilver, gelezen als volgt:

 

Muntsoort

Gewicht

Ruimte naar boven of beneden

Gehalte

Ruimte naar boven of beneden

Middellijn

grammen

duizendsten

duizendsten

duizendsten

millimeters

Zilver

vijftig­guldenstuk

tiengulden­-stuk

 

25

 

25

 

5

 

5

 

925

 

720

 

3

 

3

 

38

 

38

 

C. Artikel 6 wordt gelezen als volgt:

 

Niemand is verplicht munten tot een hoger bedrag aan te nemen dan van:

vijfhonderd gulden in vijftigguldenstukken,

honderd gulden in tienguldenstukken,

vijftig gulden in rijksdaalders en guldens,

tien gulden in kwartjes en dubbeltjes,

een gulden in stuivers,

vijfentwintig cent in centen.

 

D. Artikel 7, onder a, wordt gelezen als volgt:

 

a. munten kunnen worden ingewisseld tegen onbeperkt wettig betaalmiddel, mits het aangeboden bedrag niet minder zij dan:

f 500 voor het vijftigguldenstuk,

f 100 voor het tienguldenstuk,

f   50 voor de rijksdaalder en de gulden,

f   25 voor het kwartje en het dubbeltje,

f    10 voor de stuiver en de cent.

 

Artikel II

 

Indien de wet houdende buitenomloopstelling van de cent en afschaffing van het recht van aanmunting van gouden dukaten, waarvoor het ontwerp is ingediend bij Onze boodschap van 26 maart 1981, in werking treedt op een tijdstip dat ligt voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, vervallen in onderdeel C van artikel I de woorden: «vijf en twintig cent in centen» en wordt de laatste regel van onderdeel D van artikel I gelezen als volgt: f 10 voor de stuiver.

 

Artikel III

 

Deze wet  treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst.

 

 

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriėle departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te ’s-Gravenhage, 10 maart 1982

Beatrix

 

De Staatssecretaris van Financiėn,

J. C. Kombrink

 

Uitgegeven de vijfentwintigste maart 1982

De Minister van Justitie,

J. de Ruiter

 

 

1  Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 november 1972, Stb. 677.

 

 



terug naar het overzicht