De Amsterdamse Munt 1672-1673

 

Amsterdam was in de zeventiende en achttiende eeuw een van de belangrijkste knooppunten van de internationale handelsroutes en een minstens even belangrijk financieel centrum. Bovendien vormde de stad het middelpunt van de doorvoerhandel in goud en zilver, waarbij de Nederlandse munthuizen een rol speelden door het aangevoerde metaal te verwerken tot een meer winstgevend uitvoerproduct. Als er één plaats in ons land is waar men destijds een munthuis zou verwachten dan is het wel Amsterdam. Spijtig voor de stad was het privilege om Hollands munthuis te mogen huisvesten al in de Middeleeuwen vergeven aan Dordrecht. Slechts in één noodsituatie, het “Rampjaar” 1672, heeft Amsterdam toestemming gekregen om binnen haar muren Nederlandse munten te laten slaan. Het muntbedrijf werd gevestigd in het wachthuis van de Regulierstoren, die sindsdien bekend staat als de Munttoren.

 

Amsterdam, Regulierstoren met wachthuis



De munten van Amsterdam

In Amsterdam zijn in 1672 en 1673 maar twee soorten munten gemaakt, namelijk de gouden dukaat en de zilveren rijder, de laatste door het publiek meestal ducaton genoemd. De Amsterdamse munten werden al uitgebreid beschreven door Van der Wiel in het Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 1988. Met behulp van die beschrijving kunnen dan wel alle varianten met een apart nummer worden aangeduid; de gebruikte indeling geeft echter geen inzicht in de historische ontwikkeling van de muntslag.

(afbeeldingen: Geldmuseum, Utrecht)



Amsterdamse Munt, gouden dukaat 1673. Het Amsterdamse wapenschildje
onder het vierkant op de keerzijde moest de herkomst aangeven.


Een complicerende factor bij de indeling van de Amsterdamse munten vormt de Amsterdamse particuliere medailleur (penningmaker) Christoffel Adolphi die enkele malen - soms officieel, soms niet - producten vervaardigde die sterk leken op de munten die in de Amsterdamse Munt geslagen werden.
Dit begint al in de late zomer van 1672, als hij naar alle waarschijnlijkheid een sollicitatie voor de functie van stempelsnijder bij het (dan nog op te richten) Amsterdamse munthuis kracht bijzet met de productie van een bijzonder fraai verzorgde "meesterproef" van een ducaton die alle kenmerken heeft van een Amsterdamse munt.



Christoffel Adolphi, meesterproef type Amsterdamse ducaton 1672.
Let op de "kuise" leeuwen die de staart voorlangs dragen.



De Amsterdamse Munt zelf begint op 9 november 1672 met de productie van ducatons. Alle munten worden hier nog met een hamer tussen twee stempels geslagen. Die muntstempels maakt men uit staven ijzer, waarvan op het uiteinde de muntafbeelding inwaarts wordt aangebracht. Dit gebeurt met kleine stempeltjes (ponsoenen) die elk een onderdeel van de afbeelding dragen. Zo worden ook de letters van het omschrift in het stempel "ingeklopt", alles natuurlijk in spiegelbeeld.
In Amsterdam maakt stempelsnijder Gerrit Hoxter, die vroeger werkzaam was op het Gelderse munthuis, de eerste muntstempels, met ponsoenen waarvan hij een aantal vroeger al eens voor Gelderse munten had gebruikt.



Amsterdamse Munt, ducaton 1672 van het vroege type.
Het Amsterdamse wapenschildje staat hier tussen de cijfers van het jaartal.



Al spoedig worden nieuwe ponsoenen voor de Amsterdamse ducatons gemaakt. Naast één type keerzijde zijn twee series voorzijden te onderscheiden, die het makkelijkst te herkennen zijn aan de pluim van de ruiter, die in de ene serie breed, in de andere serie uitgesproken hoog is. Medailleur Adolphi leverde een aantal van deze ponsoenen; die voor de leeuwen op de keerzijde zijn in ieder geval van zijn hand. Met deze series ponsoenen zijn alle Amsterdamse muntstempels vervaardigd tot het eind van de muntslag in november 1673.



Amsterdamse Munt, ducatons 1672 en 1673 van het latere type, met de twee verschillende voorzijden. De leeuwen van de keerzijde verraden Adolphi's hand.



Het munthuis vormt voor het Amsterdamse publiek natuurlijk een bezienswaardigheid. Aan bezoekers en ook aan verzamelaars worden bijzondere "munten" verkocht, die men slaat op een dubbeldik (piedfort) of een vierkant muntplaatje. Voor deze souvenirs worden vaak aparte stempels gebruikt. Ook hiervan is een aantal door de medailleur Adolphi aan de Munt geleverd.



Afslag op een vierkant muntplaatje. Het gebruikte keerzijdestempel is geleverd door Christoffel Adolphi, die het vervaardigde met dezelfde ponsoenen waarmee hij de stempels voor zijn meesterproef produceerde (zie boven). De stempel voor de voorzijde is op de Amsterdamse Munt gemaakt.



Een laatste categorie Amsterdamse "munten" is mogelijk pas vervaardigd toen het werk in de Amsterdamse Munt al voorbij was, en vrijwel zeker in het atelier van Adolphi. Het zijn natuurgetrouwe nabootsingen van zowel gouden dukaten als ducatons, maar in feite zijn het gedenkpenningen op het feit dat Amsterdam korte tijd zijn eigen munthuis heeft gehad. Op de dunne zijkant is op ingenieuze wijze de tekst aangebracht: TER GEDACHTENISSE VAN DE MUNTE VAN AMSTERDAM.



Christoffel Adolphi, gedenkstuk op de Amsterdamse Munt.
Type gouden dukaat met jaartal 1673, met randschrift.